In de 12e eeuw ontstond aan de oude handelsroute Regensburg – Naumburg een kapel. De oprichters van deze kapel zijn niet bekend. De ‘Deutschritter-Orden’ verhief deze kapel in de 14e eeuw tot Mariakerk en breidde ze verder uit. Rond 1500 werd het hoogkoor in laat-gotische bouwwijze herbouwd en werd de Annenkapel verbonden met de kerk. De toren kreeg zijn huidige vorm. Hij is 60 meter hoog.
Honderd jaar later werd het kerkschip verder uitgebreid en het interieur van de kerk werd door de landsheer, vermogende parochianen en vooral door de preses van het kerkelijk district, superintendent Hartung, in Barokstijl opgesierd.
In de Bergkerk en in de crypten werden talrijke vorsten bijgezet van de ‘Jongere Reußische Lijn’.

Het altaar werd in 1635, tijdens de Dertigjarige Oorlog, voltooid. Het hoofdgedeelte wordt beheerst door een groot crucifix. Hierboven wordt, door middel van een pelikaan die zich voor zijn jongen opoffert, het plaatsvervangende lijden van Jesus voor de mensen afgebeeld. In het bovenste gedeelte van de altaaropbouw is de herrezen Christus te zien, die als overwinnaar uit de strijd tegen de dood en alle anti-goddelijke machten is gekomen.
Alle ornamenten in woord en beeld van de kerk willen aanmoedigen tot het leven door het getuigenis van de overwinning op de dood.

Aan de zuidelijke wand van het koor hangen afbeeldingen van de reformatoren en de preses van het kerkelijk district Schleiz sinds de 16e eeuw.
Daaronder bevindt zich de priesterbank, een geschenk van superintendent Hartung junior. Op zijn dak is het gelijkenis van de arbeiders in de wijnberg afgebeeld.
Aan de voorzijde zijn drie figuren afgebeeld: Jezus als de goede herder, links Johannes de Doper en rechts de apostel Petrus.

Het grootste beeldsnijwerk – het Burgkse epitafium – is ingewerkt in de boog van de torenkapel. De onder de Gekruisigde knielende figuren verbeelden de familie van Heinrich II Reuß zu Burgk. Boven de familie is de Gekruisigde afgebeeld, daarboven een wolkenhemel met een afbeelding van de Drievuldigheid. De hemel wordt niet voorgesteld als iets wereldvreemds, maar omsluit als het ware de familie. Rechts en links van de familie, onder de hoede van de engelen, twee vroeg gestorven kinderen.
Het epitafium kan als een typische uitbeelding van de vroomheid in die tijd worden gezien. Het werk werd in de tweede helft van de 17e eeuw gecreëerd door Hans Balbierer en beschilderd door de schilder Martin Jacobi. Beide zijn de belangrijkste kunstenaars van Schleiz. Andere werken van hun hand bevinden zich in de slotkapel Burgk.

Onder de zuilen van het Burgkse epitafium leidt een brede trap naar de torenkapel. Hier vinden we het oudste en tegelijk mooiste grafmonument van de Bergkerk, de graftombe van Heinrich der Mittlere van Gera uit het jaar 1500. Vooral opmerkelijk zijn de uit steen gehouwen bladranken en wapens die het grafmonument opsieren. Deze graftombe is het meest beduidende laatmiddeleeuwse steenhouwerswerk in Oost-Thüringen.

Tegenover het Burgske grafmonument zien we de regentenbank. De voorzijde is rechts en links versierd met koninklijke figuren uit het Oude Testament; in het midden is een artistiek waardevolle afbeelding van het Laatste Oordeel.

Werpt u een blik in het kerkschip dan valt het oog op de kunstzinnige kroonluchter uit het jaar 1697. Hier zijn de vijf wijze maagden met hun brandende lampen afgebeeld met Christus als bruidegom.

Een kunstwerk in het kerkschip verdient bijzondere belangstelling: het is het epitafium voor Anne Dorothea Slevogt links naast de kansel.
Dit werk beeldt op een meesterlijke manier de overwinning van de doodsangst uit. De doodskop en de botten aan de voet van het epitafium drukken de vreselijke werkelijkheid van de dood uit, die ons altijd weer tot wanhoop wil brengen. Het worstelen om de overwinning hiervan wordt symbolisch duidelijk gemaakt door de figuren links en rechts – links de offering van Isaak, rechts Jacobs worsteling met de engel. Hulp voor de overwinning van de doodsangst brengen de engelen van boven, terwijl in het midden van het beeld de pelikaan, die zijn jongen met zijn hartenbloed voedt, symbolisch de offerdood van Christus verbeeldt, die de uiteindelijke bron voor deze hulp is.

De kansel stamt oorspronkelijk uit de oude ‘Deutsch-Ordens-Ritter’-kerk en toont behalve Christus ook de evangelisten en de grote profeten van het Oude Testament, want de Gemeente van Jezus kan niet bestaan zonder het woord van de apostelen en de profeten.

De banken en versieringen onder het zuidelijk oksaal stammen uit de 17e en 18e eeuw en werden gebruikt door de burgers van Schleiz.

Het uiterlijk van de orgel herinnert qua opbouw aan een vleugelaltaar. De vleugels zijn aan de binnen- en de buitenkant beschilderd. Aan de binnenkant zijn musicerende engelen te zien, aan de buitenkant scènes uit bijbelse verhalen.

De laatste uitvoerige renovatie van de kerk gebeurde onder vakkundige leiding van het ‘Institut für Denkmalpflege’ (Instituut voor Monumentenzorg) uit Erfurt in de jaren 1977 tot 1983. Aanzienlijke middelen uit het overheidsfonds voor monumentenzorg maakten de reiniging en aanvulling van de plafondschilderingen en de verwijdering van beschadigingen aan de afbeeldingen op de triomfboog mogelijk. De muren kregen een lichte verflaag. De traditionele kleuren van de ingebouwde elementen – zwart, wit, goud – (zoals de wapenkleuren van het Huis Reuß) werden behouden.
Veel parochianen hebben door hun investering van tijd en geld ertoe bijgedragen hun waardevolle Bergkerk niet alleen te behouden, maar ze ook nog mooier te maken.

De Annenkapel met haar waardevolle graftombes en het zeldzame sterrengewelf boven het altaar bevelen wij eveneens voor een bezichtiging aan.

Aan de voorkanten van twee rijen banken in het koor zijn afbeeldingen in grisaille-schilderkunst bewaard gebleven. De schilders ervan hebben bijbelillustraties van Matthäus Merian d.Ä. als voorbeeld voor hun schilderkunst genomen. Dit feit was tot nu toe niet bekend, maar kon in augustus 2001 worden aangetoond.

Een andere herontdekking is een piscina sacra uit de tijd voor de Reformatie in de sacristie.

Dank für die Übersetzung an: Harrie Claessen, Hamburg